Over het oude Charkiv
Er stroomden eens twee rivieren, van elkaar gescheiden door lage, ronde heuvels. Beide waren overwoekerd door brutale oevergrassen: riet, zegge, kalmoes, lisdodde. In het voorjaar trok het hoogwater hele kluiten roestbruine klei los, waar de rietwortels uit staken als de tanden van een kam, en voerde de losgerukte eilandjes mee naar de plek waar de rivieren samenvloeiden.
Ergens in de nevengeulen van de verenigde rivieren hielden de hoopjes riet stil voor de zomer, vormden een vlot, en op dat vlot bouwden meerkoeten hun nesten. Het stille water rondom het vlot raakte begroeid met lelies en kroos, de koeten holden over de lelies alsof het vaste grond was en deden zich te goed aan hun kroosmaal.
Dichter bij de snelle stroming van de rivier leefden witkoppige vliegenvangertjes en op diezelfde plek broedden wilde eenden. De eenden, groot van stuk, vlezig en grijsgetint, schuwden de witgekroonde meerkoeten, zelfs hun blauwzilveren woerden gingen met tegenzin de confrontatie aan met de vliegenvangertjes.
Die waren dan ook niet met weinig. Het stikte ervan op de Donets, in de meren die ooit strangen van de Donets waren geweest en nu alleen nog, met de breedte van hun schouders, tentoonspreiden wat de Donets in een grijs verleden voor een rivier moest zijn geweest.
Verder kwamen langs de hele Donets ganzen voor, een forse grijze soort, zwanen lieten zich pas zien in het Zwanenmeer, een kilometer of zestig van de samenvloeiing verwijderd, nog verder weg leefden er hele zwermen – in het Kraaienmeer, honderd kilometer stroomafwaarts.
Goed, in de lente en de herfst wemelde het ook in de Grote Lyman van de zwanen, daar doken dan zelfs pelikanen op.
Op de ronde heuvels tussen de twee rivieren strekte zich een bos uit, het volgde de oevers vanaf het Centraal-Russisch Plateau en liep in het zuiden uit tot de Tataarse rivieren Oril en Samara. Op de zandgronden op de linkeroevers groeiden traditiegetrouw naaldwouden. Daar maakten nomadische houtsnippen een tussenstop op hun doortocht naar de steppe aan de voet van de Kaukasus.
Ook al zaten er op de twee rivieren geen zwanen of ganzen, het bruiste er van het leven. Verschillende waadvogels struinden kniediep door hun modderige hoekjes. Watersnippen verstopten zich achter de zoden. Tussen de frisgroene, met water bedekte grassen schuilden poelsnippen, die een typische kaarsrechte vlucht hebben. Kraaien broedden in het bos tussen beide wateren. De kraai, sinds onheuglijke tijden een waterminnende vogel, schreed over de oevers of zat (de eeuwige observator) urenlang op een wilgentak, loerend naar de eieren van de vliegenvangertjes en eenden.
Duikeenden, groot, klein en gekuifd, maakten kabaal in de diepe meren langs de rivieren. Deze ronde, lichte en heldere meren zouden naderhand ‘schalen’ genoemd worden, maar tegen die tijd waren de rivieren zo ondiep geworden dat de duikeenden er niet meer konden leven en hun toevlucht zochten op de Donets.
In de lucht flakkerden witte sternen, een soort flinters wolk, maar dan met een bijzonder aards stemgeluid, ze krijsten als gevleugelde albino’s, wit met rode ogen. Een zwerm bruingevleugelde meeuwen streek als een woelig net neer in de verdronken grassen van de poelsnippen, waarop de poelsnippen, recht als een pijl, wegschoten bij de opdringerige vreemdelingen.
I
Het was midden op de dag en benauwend warm. Het plein was verlaten, op een bereden politieagent met witte handschoenen na (agenten te voet droegen geen handschoenen, hun bietenrode onderofficierspoten met zwarte nagels staken pal uit de zwarte mouwen met rode manchetten). De agent zat met gestrekte rug op zijn brave paard, hij verroerde geen vin en toch wervelden er stofwolken over het plein.
Windvlagen, dezelfde die al sinds mensenheugenis door de steile kleigeulen bliezen en die door het Grand Hotel, de kapel en de politieagent maar matig in toom werden gehouden, bliezen de stofwolken uit de kieren op boven het plaveisel.
De geur van dit stof was zurig en scherp. Schillen van watermeloenen en aardappels, weggesmeten etensresten, doorweekte, met tabak doordrenkte sigarettenvloeitjes, in afvalemmers verzopen ratten – op elke binnenplaats hoopte deze met zeepwater weggespoelde viezigheid zich op en lag zo, door drie gammele planken van de huizen gescheiden, te drogen in de julilucht.
Vervolgens viel dit alles onder de verzengende steppezon tot stof uiteen, om op de vleugels van de wind tussen de planken door te vliegen, de straat op, waar het zich verzamelde tussen de spleten van het plaveisel. Het stof riekte naar het volle Charkivse leven en het inademen ervan deed de voorbijgangers rochelen, niezen en schrapen.
Niet dat er op dit uur van de dag voorbijgangers waren op het plein. De koopman Petro Ivanovytsj Doedkin, die het plein spoedig zou passeren, zat nog thuis thee te drinken, terwijl de bijlesleraar van zijn kinderen, de gymnasiast Jugurtha, nog onderweg was naar het Sint-Sergiusplein.
Koopman Doedkin was een van de oude notabelen van Charkiv en was op het ogenblik verwikkeld in een machtsstrijd met de koopman Oechovy en de steenkolenmagnaten. Om de liberalen dwars te zitten financierde hij het tijdschrift De Angel en diens hoofdredacteur Hermejer. De Angel verscheen op sjofel grijs papier en kostte een stuiver, hoofdredacteur Hermejer – van beroep slachter of wellicht uitsmijter in een bordeel – kostte Doedkin niet eens een stuiver en kon zich met zijn machtige vuisten zelf weren tegen de diepverontwaardigde liberalen.
Hermejer betaalde geen honoraria. Hij had een karikaturist in dienst, een van de knapen van de drukkerij, die zich er nooit druk om maakte of het wel een beetje leek. Hij tekende met zijn veer gewoon een poppetje met een gigantisch hoofd, onder de tekening werd altijd in detail beschreven wie er afgebeeld stond. Alle nieuwtjes over liberalen, Joden, studenten en professors werden terstond gedrukt als er ook maar een vleugje sensatie omheen hing.
Zelf was koopman Doedkin een edelman met universitaire scholing: hij was een van de weinige landheren die niet als verliezers tot het kapitalisme waren toegetreden maar als bondgenoten. Nadat hij zijn miljoenen verdiend had, sloot hij zich weer aan bij de feodalen en groeide uit tot een pijler van de Charkivse ‘Zwarte Honderd’.
Hij stond zich gereed te maken achter een kamerscherm. Zijn laklaarsjes met rekbare rubberen zijstukken had hij al aan, hij was net bezig het oortje van een van de laarsjes weg te stoppen onder de pijpen van zijn diepblauwe Cheviotbroek toen de bel ging – het was Jugurtha, de bijlesleraar van zijn kinderen. Doedkins vrouw stond op van de sofa in de belendende kamer – een lange, gezette dame met een ongelooflijke, buitengewone zwarte krullenbos, die wel wat weg had van een slaperig schaap – en omarmde Doedkin teder: hij drukte zijn neus in haar mollige boezem.
‘Zjenetsjka van me!’ zei Doedkin verrukt. ‘Daar heb je die jongeman, de tutor. Waarom ben je opgestaan? De dokter zei nog zo dat je rust moet houden.’
Van onder zijn donkere, grijzende wenkbrauwen keken Doedkins kraaloogjes teder naar zijn vrouw. Ze aaide hem over de bol en keerde terug naar haar chaise longue. Ze had Doedkin met tederheid lief, haar delicate, ontwikkelde kleine ridder, maar Jugurtha maakte iets in haar los waarvan haar gedrongen voeten zich uitstrekten op de chaise longue en haar tenen in de neusjes van haar schoenen naar voren reikten, tot er een lichte kramp in haar kuiten schoot. Ze sloot haar ogen.
Doedkin, die nog niet helemaal gereed was, trok zijn ribfluwelen jasje aan en ging Jugurtha halen. Zijn jongste zoon, George, een druk baasje wiens gezicht uitsluitend uit neusgaten, lippen en kin bestond, zat al aan de tafel. Hij was twee jaar ouder dan zijn tutor, maar zat op het gymnasium twee klassen lager.
Toen hij zijn vader zag trok George een ironische grijns, sloeg zijn blauwe schrift open en begon er met zijn vingers ongedurig het wijsje van ‘Das haben die Mädchen so gerne’ te trommelen. Jugurtha keek op.
Hij keek verbaasd, bijna met ontzag, naar Doedkin. Het was haast niet te geloven dat deze fijnbesnaarde, milde, hartelijke man een pleitbezorger van de Zwarte Honderden was, een uitbuiter, miljonair, vrek en paljas. Jugurtha raakte van zijn stuk toen hij dacht aan wat hij allemaal over Doedkin gehoord had.
Doedkin kreeg het door toen hij zijn rusteloze vingers opmerkte, die onder druk van laocoönisch ongemak allerlei kruisen en coöperatieve tekens vormden.
‘Hoeveel vraagt u per maand, Jugurtha Koreliovytsj?’ vroeg Doedkin vriendelijk. ‘Ik heb niets dan goeds over u gehoord. Ik hoop dat we eruit komen.’
‘Zeker! Zeker!’ zei Jugurtha, nu volledig van zijn stuk gebracht. Hij kleurde dieprood tot aan de wortels van zijn warrige haren.
‘Zo mag ik het horen,’ zei Doedkin. ‘Neem plaats, neem plaats, beste kerel, ik ben zelf ook student geweest, ik…’ – hij verlaagde zijn stem – ‘ik ben een socialist. De generaties na mij zullen mijn rijkdom verdelen, wat mij tot een eenvoudig rentmeester maakt, niet meer dan dat!’
‘Ik geloof niet in het socialisme!’ zei Jugurtha.
‘Ten onrechte, beste kerel. Christus zelve was de eerste socialist. Hij zei…’
‘In Christus geloof ik evenmin!’ onderbrak Jugurtha gallig en verschoot. Maar Doedkins stralende, kleine gezicht betrok niet. Hij gaf Jugurtha een genegen klopje op de schouders, Jugurtha ontspande en ging zitten.
Doedkin verliet de kamer, geruisloos schrijdend over het kleed. Jugurtha keek zijdelings naar George. George zuchtte vermoeid en liet hem zijn schriften zien. In de schriften stonden in een volmaakt mannenhandschrift verdraaide Franse woorden uitgeschreven, driftig doorgekrast door de nerveuze hand van de leraar.
Doedkin liep naar de garage, waar een kleine Mercedes stond, wisselde een paar woorden met Leonid, de chauffeur, waarbij hij ongemerkt de lucht opsnoof. Hij controleerde de benzinestand in de tank, moest ergens aan denken en knikte zachtmoedig met zijn hoofd.
Vervolgens liep hij door naar de stal: de koetsier Trochym had de bruine mesties uit zijn hok gehaald. De mesties steigerde, hij stond bol van de haver, hoog tijd om hem een paar kilometer door de straten te jagen. Alleen liet het ijzer van zijn rechtervoorhoef een beetje los, dus bedacht de miljonair zich. Hij droeg Trochym op het paard drie dagen lang geen haver te geven en nam de sleutels van de voorraadkamer mee.
Het was warm en klam. Doedkin besloot de promenade te volgen tot aan de Oud-Moskouse Straat en daar de paardentram te nemen. Hij liep over de promenade: die had de stad geen cent gekost – een gezelschap esthetisch ingestelde gymnasiasten van het Derde Gymnasium had het groen aangelegd ter gelegenheid van een feest waarop Doedkin een toespraak had gehouden over de betekenis der esthetiek in het Russisch bestaan. Om die reden genoot de promenade weinig aanzien en lag ze naast de rivier Charkiv, die op een beerput leek. Maar zelfs de zure geur van stilstaand water kon Petro Ivanovytsj niet ontstemmen: in de odeur ontwaarde hij subtiele noten, etherische geuren die alleen in zijn stad voorkwamen en die hem eraan herinnerden dat hij hier de dienst uitmaakte. In de botte stanklucht van rottend vuil kwamen voor zijn fijne neus telkens weer onverwachte aroma’s bovendrijven. Vandaag ving hij een vleugje viooltjes op, hij glimlachte en snoof de lucht op.
Hij kwam uit op de Oud-Moskouse Straat bij de barak van het Penzaregiment. In het gestreepte wachthokje zat een ordonnans te slapen. Op het lange houten trottoir lag een laag zonnebloempittenhulsjes van gisteravond die schel ritselden in de julizon. Ineens rook het naar een fris beekje: een vrouw des huizes had een raampje opengezet en kieperde een emmer afval leeg – watermeloenschillen, sigarenkistjes van het merk Kalfa, een hele worp verzopen katjes flitste als een regenboog door de lucht en landde in het kantwerk van zeepschuim op het plaveisel. Het raampje klapte razendsnel dicht en was opeens weer groen, kalm, dromerig, alsof het in geen twintig jaar open was geweest.
Petro Ivanovytsj ontweek het afvalwater behendig, trok een sprintje en stapte op de paardentram. Het open wagonnetje telde acht gele zitbanken met aan weerszijden twee lange planken, de randen beslagen met gietijzer. De conducteur liep over de planken en verkocht kaartjes.
Doedkin ging op het voorbalkon staan. De paardenkoetsier zat op een fietszadel, gemonteerd op een ijzeren stang, zijn lange zweep groeide als het blad van een zegge uit twee ijzeren ringen, de koetser zat te dromen, want de weg was effen, de twee paarden renden op een log, mank drafje, hun beslagen hoeven roffelend op de rails.
Plotseling sprong iemand in volle vaart van het trappetje af. Het was de student Lauks, een lange knappe blonde jongen die onder zijn officiersjasje een grijs hemd droeg. Hij was op weg naar het schaakcafé. Petro Ivanovytsj riep nog iets over het overtreden van regels, maar op dat moment kwam de voerman aangelopen met twee trekpaarden om het wagonnetje de heuvel op te helpen, naar het Nikolaasplein, en Petro Ivanovytsj richtte zijn blik op hem.
De voerman was een morsige, redelijk aangeschoten vent in een czamara. In plaats van de officiële pet droeg hij een soort zwartbesmeurde pannenkoek die zijn korte achterhoofd nauwelijks bedekte. In zijn linkerhand hield hij de zweng waar de strengen van de twee paarden aan vastzaten, in een vloeiende beweging bevestigde hij de ijzeren haak aan een ring aan de voorzijde. In zijn rechterhand hield hij eenzelfde lange zweep vast als de koetsier. Hij sprong op het trappetje en begon meteen te zwiepen met zijn zweep, de koetsier zwiepte met de zijne, beide schreeuwden, en Doedkin merkte met belangstelling op dat de voerman alleen de ingespannen paarden sloeg en de koetsier alleen de paarden van de voerman. De zwepen petsten en raakten verstrikt op de paardenruggen, het wagonnetje naderde met een loom draftempo het plein.
Op het plein knapte er iets. Misschien brulde de koetsier iets te luid naar de paarden terwijl hij met een snerpend geluid aan de ijzeren ketting van de rem trok die die bij elke halte de afgepeigerde, kreupele knollen met geweld tot stilstand bracht, misschien rinkelde de bel van de paardentram iets te schel, of misschien krijsten de rails in de bocht te hard – hoe dan ook, de zadelriem van het paard waarop de bereden politieagent zat, begaf het en scheurde precies op de plek waar de zadelmaker hem een week eerder had gerepareerd met Doedkins garen. De riem scheurde en de doezelige agent, die op de linker stijgbeugel steunde, zakte pardoes met zijn hoofd naar beneden weg onder de buik van het paard. Geschrokken van zijn baas’ manoeuvre zette het van haver en klaver bulkende paard het op een lopen. De agent bleef met zijn flesvormige laarzen, sporen en witte handschoenen achter op het hobbelige plaveisel.
De loodgieter Vasyl Chomytsj Izvjekov stapte van zijn fiets, hield het paard staande en bond het vast aan een lantarenpaal. Vervolgens stapte hij weer op zijn fiets en reed verder over het plaveisel, in de richting van het park, waar die dag een fietsrace zou plaatsvinden.
Hij fietste niet al te snel: het plaveisel, dat op de rug van een verrotte krokodil leek, hield geheel uit zichzelf, zonder bemoeienis van het stadshoofd, de snelheid van het verkeer in toom. Het plaveisel had ook wel wat weg van de rotsige bodem van een Kaukasische rivier: ronde stenen staken hun kop op als hazelnoten in de chocolade, het vuil verzamelde zich in de gleuven daartussen. Aan weerszijden van de krokodillenrug lagen twee opgedroogde stroompjes duimdik stof, er staken kammen en stro uit, aangevoerd door de gutsende regen. Izvjekov reed zo langzaam dat Doedkin zijn lichtblauwe ogen en grijze snor herkende. In het voorvertrek van de gendarmeriekazerne trof hij de assistent van hoofdinspecteur Tsjvyrko.
De assistent, een ronde, kale man zonder wenkbrauwen of baard had in de stad onvergelijkbaar veel meer te zeggen dan de hoofdinspecteur zelf. De hoofdinspecteur kon vandaag ene Bessonov zijn, morgen een Krauze en overmorgen een van de benevelde vorsten Haharin, maar assistent Tsjvyrko was er voor immer en altijd. Doedkin wisselde een paar woorden met hem in het voorvertrek van de gendarmekolonel Veresov om vervolgens bij de kolonel naar binnen te stappen.
Ondertussen stond Jugurtha al de banden van zijn fiets op te pompen, toen de overdreven zwartgelokte Zjenetsjka, Doedkins forsgebouwde vrouw, toevallig het halletje binnenliep. De woning was verder leeg: George was bij chauffeur Leonid in de garage. Zjenetsjka bleef bij de deur staan en begon zwaar en snel te ademen. Plotseling merkte ze verontwaardigd op dat haar ademhaling samenviel met het ritme van de fietspomp, ze kuchte, Jugurtha keek op en zijn ogen priemden in de witte gordel van Valencijns kant onder de volle boezem van Zjenetsjka.
Jugurtha hield uit beleefdheid op met pompen en kwam overeind. Zjenetsjka begon weer zwaar en snel te ademen, even ving Jugurtha iets op van de nerveuse stromen van haar verlangens, maar hij begreep deze niet en verklaarde beminnelijk dat hij op weg was naar de fietsrace. Hij begon zelfs in detail te vertellen over de wedstrijd, maar Zjenetsjka werd opeens kil en hautain als het kant in de vitrine van Alsvangs lingeriewinkel. Jugurtha zweeg verbouwereerd en spoedde zich naar buiten met de fiets aan de hand, waarbij het stuur nog tegen de deurklink dreunde.
